BTW-aangifte schatten: geen goed idee

 

Een belastingadviseur die voor zijn eigen bedrijf aangiften omzetbelasting deed op basis van schattingen, moet een vergrijpboete betalen wegens grove schuld. “De handelwijze moet worden gezien als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid”, aldus de rechtbank Gelderland.

De adviseur kreeg van de Belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 september 2014. De aanslag bedroeg in totaal een kleine € 12.000. Daarnaast kreeg hij een boete van bijna € 3.500. Na bezwaar matigt de fiscus de aanslag met € 240. De aanslag en boete zijn opgelegd na een boekenonderzoek, waaruit bleek dat de aangiften omzetbelasting in het geheel niet aansloten op de administratie. De aangiften waren geschat en aan de schatting lagen geen berekeningen ten grondslag. De Belastingdienst heeft correcties toegepast.

Correctie al verwerkt

De belastingadviseur tekent beroep aan tegen de correcties. Zo is hij het niet eens met een correctie voorbelasting voor het privégebruik van de auto. Die zou al in de aangifte zijn verwerkt. Ook de correctie voor energiekosten is wat hem betreft niet juist. De aftrek van 50% wordt bij zijn echtgenote, eigenaar van het kantoorpand, in stand gelaten, maar bij de adviseur gecorrigeerd. Ook de aftrek van kosten voor een keuken zou terecht zijn. Verder wil hij posten voor crediteuren en voor debiteuren tegen elkaar wegstrepen, maar dat kan volgens de fiscus niet voor de omzetbelasting.

Schatting maakt controle onmogelijk

De rechtbank oordeelt dat de belastingadviseur niet heeft onderbouwd dat de voorbelasting voor privégebruik van de auto al in de aangifte is verwerkt. “Bovendien is de aangifte gedaan op basis van een schatting, waaraan geen berekening ten grondslag is gelegd, zodat niet controleerbaar is wat in de aangifte is verwerkt en wat niet.” Ook met betrekking tot de energiekosten heeft hij niet concreet aangegeven in welke mate de kosten zijn gemaakt ten behoeve van zijn onderneming.

Investering keuken

Een investering in een keuken komt evenmin voor aftrek in aanmerking: er is geen factuur. Met verwijzing naar uitspraken van het Europese Hof van Justitie overweegt de rechter nog dat aftrek eventueel mogelijk is als aan alle materiële vereisten voor aftrek is voldaan. Maar daarvan is hier geen sprake: “Ten eerste ligt het niet voor de hand dat een keuken van € 16.809 in een woning met een kantoordeel alleen is aangelegd ten behoeve van het kantoor. Het is juist aannemelijker dat het gaat om een keuken die geheel of grotendeels bedoeld is voor privégebruik. Ten tweede blijkt uit het rapport van het boekenonderzoek dat de investeringen in het kantoor geen huurdersinvesteringen van eiser waren en dat deze investeringen dus thuishoorden in de administratie van de eigenaar van het kantoorpand (de BV van de echtgenote, red.). Ten derde is niet aannemelijk gemaakt dat de factuur destijds op naam van eisers onderneming is gesteld. De conclusie is daarom dat eiser geen recht heeft op aftrek van de voorbelasting met betrekking tot de keuken.”

Vaste handelwijze

Met betrekking tot het wegstrepen van posten voor debiteuren en crediteuren oordeelt de rechter dat de belastingadviseur daarvoor onvoldoende bewijsmateriaal heeft aangedragen. Het ging om de aftrek van de omzetbelasting op een factuur van zijn echtgenote, die hij na een afspraak niet hoefde te betalen. Maar daarvoor bestaan geen aanknopingspunten in de administratie. Bovendien wordt de omzetbelasting op facturen doorgaans wel afgetrokken. “De rechtbank is van oordeel dat in de omstandigheden van dit geval op eiser de bewijslast rust dat de omzetbelasting op de factuur van zijn echtgenote destijds niet in aftrek is gebracht. Vaste handelwijze van ondernemers is namelijk dat de voorbelasting op facturen in aftrek wordt gebracht, zeker als die facturen in de administratie zijn geboekt. Omdat de stellingen van eiser erg vaag zijn en hij zijn stellingen ook niet heeft onderbouwd met stukken, is hij niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De correctie, zoals verlaagd in bezwaar, is daarom terecht.”

Ook boetes zijn terecht

Het beroep van de adviseur wordt ongegrond verklaard. Ook de boetes zijn terecht opgelegd, aldus de rechtbank. “De rechtbank is van oordeel dat de handelwijze van eiser moet worden gezien als een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid. Daarbij is van belang dat eiser belastingadviseur is en dus geacht wordt terzake kundig te zijn. Bovendien is het doen van aangiftes omzetbelasting op basis van een (niet onderbouwde) schatting zeer onzorgvuldig, ook voor een ondernemer die geen belastingadviseur van beroep is. Daarnaast is ook het opvoeren van aftrek van voorbelasting zonder dat hiervoor onderbouwing voorhanden is, zeer onzorgvuldig.” Er horen tot slot geen aansluitverschillen te zijn. Is dat toch het geval, dan moeten die met een suppletieaangifte worden voldaan. Kortom: er is sprake van grove schuld, vindt de rechtbank.

De boetes worden wel gematigd omdat de redelijke termijn voor het opleggen is overschreden: het voornemen om boetes op te leggen is in september 2015 bekend gemaakt, meer dan twee jaar voor de uitspraak van de rechtbank. Daarom wordt de boete met 10% verminderd.

bron: 6 augustus 2018 door Accountancy Vanmorgen

Bericht geplaatst op 7 augustus 2018, door